Eén van de overgeleverde familiestukken is een brief van 10 augustus 1876. De schrijver was de ruim 61-jarige stamhouder Carl von Meijenfeldt op zijn huisadres Kattenburgergracht 13 te Amsterdam. De geadresseerde was het College van Professoren van de Universiteit van Helsingfors (Helsinki). Het onderwerp betrof zijn afkomst en de aanleiding was een krantenbericht. (1)
De tekst van de brief is in de Engelse taal gesteld. Bij het schrijven kreeg Carl mogelijk hulp van zijn 65-jarige broer Hendrik, die bij de Koninklijke Marine met goed gevolg een examen in die taal had afgelegd. Getuige het prachtig gekalligrafeerde handschrift kreeg hij ook hulp van zijn thuiswonende 23-jarige zoon Frits, die in die tijd vergelijkbare feestuitnodigingen vorm gaf. Onderaan de brief ontbreekt de handtekening van Carl, waardoor dit een concept of afschrift moet zijn. Het originele exemplaar is – ongetwijfeld wel ondertekend – op de post naar Helsinki in Finland gegaan.
Carl begon zichzelf en vooral zijn vader te introduceren.
De ondergetekende Carl von Meijenfeldt (zoon van Johan August von Meijenfeldt, geboren en opgeleid in Stralsund tussen de jaren 1760-1780, gediend hebbend in het Franse en daarna in het Nederlandse leger, overleden in Rotterdam
Daarna noemde hij de aanleiding voor zijn brief: Some time ago a Dutch Newspaper of June 24th 1862 passed my hands. Enige tijd geleden is ruim gemeten: veertien jaar. Het krantenbericht beslaat 17 regels.
Algemeen Handelsblad 24-06-1862
Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage 28-06-1862
Een origineel exemplaar van de hele editie van het desbetreffende exemplaar van het Algemeen Handelsblad bevond zich bij de bewaarde brief. Dat wijst er op dat Carl de krant niet jaren later onder ogen kreeg, maar al die tijd had bewaard en ruim de tijd nam voor het schrijven van zijn brief.
De krant berichtte over een recente gebeurtenis in Helsingfors, namelijk dat de universiteit op 2 juni 1862 papieren ontzegelde van de Zweedse veldmaarschalk graaf Johan August Meijerfeldt jr, die zijn weduwe gelegateerd had. Het ging om veel brieven en documenten, met name over zijn correspondentie met de Zweedse koning Gustaaf III en diens broer hertog Karel van Södermanland.
De openingszin “Uit Helsingfors wordt het volgende medegedeeld” betekent dat de Amsterdamse redactie een nieuwsbericht van een buitenlandse krant overnam. Dit blijkt het Helsingsfors Dagblad van 4 juni 1862 te zijn, waarin een uitgebreider soortgelijk bericht in de Zweedse taal is te lezen.
![]() |
![]() |
![]() |
Helsingsfors Dagblad 04-06-1862
In voorafgaande maanden had in deze krant een pleidooi voor de ontzegeling gestaan, zoals gemeld in het verhaal over de donatiebrief van de gravin-weduwe en de aparte bijlage briefwisseling 1788-1790.
Carl deed in de brief de belangrijke melding dat de graaf buiten twijfel zijn grootvader is. In Nederland is dit de eerste en enige schriftelijke bron. Veel meer wist hij kennelijk ook niet, want hij vroeg om informatie “concerning his pedrigee as he is quite unknown with it“. Hij sluit zijn brief af met een verzoek: “I take the liberty to beg your College the necessay informations of these documents and of my ancestors“. Familiedocumenten had hij niet (meer) en zijn vader had hem kennelijk niet veel verteld.
De kleinkinderen van Carl schreven dat hij niet graag over de familie sprak, wat in tegenspraak met zijn brief lijkt te zijn, maar de traagheid wel kan verklaren. Als zijn kinderen ’s avonds naar de kerk waren liet hij elk kleinkind aanslaan op de hem of haar toebedeelde militaire rang. Later dachten zij dat hij hiermee de familiegeschiedenis naspeelde, maar daar wist hij dus weinig van. (2)
Een antwoord op de brief bevond zich niet bij de familiepapieren. Bijna zestig jaar later nam kleinzoon Govert actie. Hij schrijft op 24 augustus 1934 een soortgelijke brief aan de universiteit. Zes weken later kwam een verrassend antwoord van de universiteitssecretaris. De brief van Carl was hem in het voorjaar van 1933 overhandigd door een persoon, die deze had aangetroffen in Anreps adelsboek van de in 1903 overleden professor in de geschiedenis Yrjö Koskinen. De universiteitssecretaris had gelijk de moeite genomen om het ontzegelde dossier van de veldmaarschalk na te kijken. Hij concludeerde dat er geen persoonlijke brieven en documenten bij zaten. (3)
Weer zestig jaar later deed Goverts zoon Hugo nog een poging bij de Universiteitsbibliotheek. Tegenwoordig bevindt het dossier zich in de handschriftenverzamelingen van de bibliotheek. Dat er door het meermaals schuiven met en het openen van de kist en omslagen documenten door verbranding of wegneming verloren zijn gegaan is niet waarschijnlijk. Dat er in de papieren iets over de stamboom zit of gezeten heeft lijkt evenmin aannemelijk. Slechts één van de stukken gaat over de erfenis van graaf Wolmar Johann von Meijerfeldt. (4)
1. Brief van Carl von Meijenfeldt (N.5) aan Universiteit van Helsingfors, Amsterdam 10 augustus 1876 [CC].
2. Brief van Carl von Meijenfeldt (Nl.1) aan Govert, Voorburg 10 november 1935 [CG-39]. Hij had dit gehoord van Cato van der Tas geh. Bakhuizen.
3. Brief van Tor Carpelan, Sekretär der Universität Helsingfors, Helsinki 11 oktober 1934 [CG-22].
4. Brieven van Anna Alakallaanvaara, Helsinki University Library, Helsinki 15 april 1998 [CH-306]. Manuscripts, Coll. 144.2.




